In onderstaand overzicht vindt u veel voorkomende termen en de korte
uitleg. Met een beter begrip van deze termen, zult u de tests die u
leest beter kunnen begrijpen.
|
A |
AD Converter |
Analog/Digital Converter. Chip die een analoog signaal omzet
in een digitaal signaal. |
|
|
AE Lock |
Auto Exposure Lock. De mogelijkheid om de gemeten
belichtingswaarde vast te zetten terwijl de compositie en
belichting verandert. |
|
|
AF Assist Lamp |
Lamp
die is ingebouwd in de camera en wit licht of een patroon
van rode strepen of bolletjes projecteert. De extra
belichting helpt door het toegenomen contrast in de
compositie de camera te focussen met weinig licht. Een rode-ogen-reductie functie werkt vaak door het witte licht
even in te schakelen voor het nemen van de foto. |
|
|
Anti-shake |
Functie die het trillen/bewegen van de camera probeert te
verminderen om zo bewegings-onscherpte te verminderen. Kan
ingebouwd zitten in de lens (glasdelen worden bewogen om
beweging van de camera te compenseren) of in de body (sensor
wordt bewogen). De functie zit bij Canon (IS: Image
Stabilization) en Nikon (VR: Vibration Reduction) in sommige
lenzen maar bij Sony (Super Steady Shot), Pentax (Shake
Reduction), Samsung (Shake Reduction) en Olympus (Sensor
Shift Stabilization) in de meeste body’s ingebouwd. |
|
|
Aperture |
Engels. Zie diafragma. |
|
|
APS-C |
Sensorformaat. Dit formaat is 25.1 x 16.8 mm, en heeft een
lengte-breedte verhouding van 3:2. Het meest gebruike
sensorformaat voor Digitale Spiegelreflex Camera’s. |
|
|
Artifact |
Zichtbare vormen van compressie in een foto, zoals bijv.
‘poserization’ waarbij gelijdelijke kleurovergangen door
compressie vervangen worden door een plotselinge overgang
tussen twee kleuren.
Autofocus
Het automatisch scherpstellen van een fotocamera. Autofocus
werkt door de stand van de lens zo aan te passen zodat het
contrast tussen twee nabijgelegen meetpunten maximaal is.
|
|
B |
Barrel distortion |
Engels. Tonvormige vervorming van het beeld die veroorzaakt
wordt door de lens. |
|
|
Body |
De spiegelreflex camera zonder lens. |
|
|
Burst |
Engels. Stand waarbij een fotocamera snel enkele foto’s
achter mekaar neemt.
|
|
C |
Chromatic Abberation |
Engels. Optisch effect waarbij er tussen overgangen van
lichte naar donkere stukken in een beeld een waas van een
bepaalde kleur ontstaat (meestal paars of blauw). Duurdere
lenzen hebben hier minder last van dan goedkope lenzen.
|
|
|
Continuous Drive |
Engels. Zie burst.
|
|
D |
Depth Of Field |
Engels. Zie ’scherptediepte’
|
|
|
Diafragma |
Opening in de baan van het licht door de lens. De grootte
van de opening wordt verandert door het verplaatsen van
metalen lamellen in de lens om zo een grotere of een
kleinere cirkel te vormen. Hoe meer lamellen hoe ‘ronder’ de
cirkel. De grootte van het diafragma wordt uitgedrukt in de
F-waarde (zie F-waarde) en is van invloed op de
scherptediepte (zie scherptediepte).
|
|
|
dSLR |
Engels. Afkorting voor ‘digital Single Lens Reflex’, in het
Nederlands staat het voor Digitale Spiegelreflex.
|
| |
Dynamic Range |
De dynamic range is de verhouding tussen het grootste en het
kleinste signaal wat de sensor van een camera kan meten. In
de praktijk zorgt een grote dynamic range ervoor dat zowel
in schaduw als in sterk verlichte gebieden van de afbeelding
nog details te zien zijn.
|
|
E |
EXIF |
Formaat voor meta-data die bij een foto wordt opgeslagen
zoals tijd van opname, resolutie, sluitertijd, diafragma,
merk & model van de camera etc.
|
|
F |
F-waarde |
De F-waarde is gelijk aan de brandpuntsafstand gedeeld door
de diameter van het diafragma. Elke opeenvolgende F-waarde
geeft aan dat er dubbel of de helft van de lichthoeveelheid
doorkomt. F-waarden zijn normaalgesproken breuken in de vorm
van 1/1.4, 1/2, 1/2.8, enz. Voor het gemak wordt het
gedeelte voor de breuk meestal weggelaten zodat de F-waarde
als volgt genoteerd wordt: f/1.4, f/2, f/2.8, enz. Hoe
groter de F-waarde hoe minder licht er doorgelaten wordt.
|
|
I |
Image Stabilization |
Zie ‘Anti Shake’
|
| |
ISO |
De lichtgevoeligheid van film of de sensor van een digitale
camera wordt uitgedrukt in ISO. Een verdubbeling van de ISO
waarde houdt in dat er maar half zoveel licht nodig is om
een vergelijkbare foto te maken. Hoe hoger de ISO waarde hoe
korreliger het beeld (digitaal & analoog) en hoe meer ruis
(digitaal). Dit is met name het geval bij sensors met veel
pixels op een kleine sensor (zoals bij compactcamera’s met
veel megapixels).
|
|
L |
Lens |
Zie ‘Objectief’.
|
| |
Live View |
Eigenschap van een camera die ervoor zorgt dat je niet
alleen door de zoeker de beelduitsnede kan bepalen maar ook
met het LCD scherm. Bij spiegelreflex camera’s zonder Live
View kun je pas achteraf de genomen foto controleren op de
juiste beelduitsnede.
|
|
M |
Macro fotografie |
Macro fotografie in de strikte zin is het fotograferen van
objecten waarbij de afbeelding op de sensor of beeld even
groot of groter is dan het object zelf. Een object van bijv.
10mm doorsnede zou ook minstens 10mm op de sensor moeten
vullen. Macro fotografie in de losse zin is het van zeer
dichtbij fotograferen van bijv. bloemen, insecten, e.d.
|
|
O |
Objectief. |
Systeem van lens-elementen die samen met de camera-body voor
een beeld op de sensor moet zorgen. Een objectief bestaat
uit meerdere elementen om zo zoveel mogelijk de lensfouten
te corrigeren die een enkele lens kan hebben. Er zijn twee
soorten lenzen voor fotografie: lenzen met een vaste
brandpuntsafstand en zoomlenzen.
|
|
P |
Pincushion Distortion |
Engels. Vervorming waarbij het beeld wordt samengedrukt
richting het midden van het beeld. Deze vervorming komt
voornamelijk voor bij tele lenzen of aan bij de tele stand
van standaardlenzen.
|
| |
Pixels |
Een sensor bestaat uit een raster van pixels. Pixels
verzamelen photonen (licht) en geven afhankelijk van de
hoeveelheid licht een andere elektrische lading af die
vervolgens wordt omgezet in een beeld.
|
|
R |
Raw |
Bestandsformaat voor afbeelding. ‘Raw’ betekent letterlijk
‘rauw’ of ‘onbewerkt’. Raw afbeeldingen hebben geen
compressie of nabewerking ondergaan.
|
|
S |
Scherptediepte |
Scherptediepte is het gebied (gezien in de ‘diepte’) van een
beeld dat scherp wordt afgebeeld. Het gebied voor en achter
de scherptediepte is onscherp. De scherptediepte is
afhankelijk van het diafragma waarbij een grote opening
leidt tot een korte scherptediepte en een kleine opening tot
een lange scherptediepte.
|
| |
Sensor |
De sensor in een digitale spiegelreflex bestaat uit een chip
met rijen pixels die licht omzet in een elektrische lading.
Omdat één pixel alleen maar lichtsterkte kan meten maar geen
kleur wordt een kleurenfilter over de pixels geplaatst. Die
filter zorgt ervoor dat elke pixel of alleen rood, alleen
blauw of alleen groen meet. Aan de hand van de waardes van
de omliggende pixels worden dan voor elke pixel de waarden
voor de lichtsterkte van de ontbrekende kleuren berekend
zodat een complete afbeelding ontstaat.
|
| |
Sluitertijd |
De tijd waarbij de sluiter van een camera geopend is en er
licht op de sensor kan vallen. Bij minder licht is een
langere sluitertijd noodzakelijk om toch een bruikbaar beeld
te verkrijgen. Een sluitertijd langer dan ongeveer 1 seconde
gedeeld door de brandpuntsafstand kan leiden tot
bewegingsonscherpte.
|
| |
SLR |
Engels. Afkorting. SLR staat voor Single Lens Reflex, in het
Nederlands een spiegelreflex.
|
|
V |
Viewfinder |
Engels. Zie ”zoeker’.
|
| |
Vignettering |
Vignettering is een effect waarbij de hoeken van een beeld
donkerder worden naarmate ze verder van het centrum
verwijderd zijn. Vignettering komt met name voor bij
zoomlenzen van een lage kwaliteit.
|
|
W |
Witbalans |
Witbalans is een functie waarmee de kleurtemperatuur
gecorrigeerd kan worden zodat de afbeelding een neutrale
witbalans heeft. Verschillende lichtbronnen geven vaak niet
100% wit licht maar hebben een afwijkende kleurtemperatuur.
Zo is de kleurtemperatuur van een gloeilamp ‘gelig’ waardoor
een witte muur zonder witbalans correctie als gelig in de
afbeelding zou komen.
|
|
Z |
Zoeker |
De zoeker is het ‘raampje’ waardoor je via een prisma en
spiegel uiteindelijk door je lens kijkt om zo je
beelduitsnede te bepalen.
|
| |
Zoom lens |
Lens waarbij de brandpuntsafstand gevarieerd kan worden. Een
andere brandpuntsafstand leidt tot een andere beeldhoek
waarbij groothoek lenzen een grote beeldhoek hebben en tele
lenzen een kleine beeldhoek.
|